Het dorp, deel 28
28. Het weer!
Nederlanders hebben het altijd over ‘het weer’ en feitelijk is het nooit goed. Daar doe ik met enige regelmaat aan mee, behalve als het lente is. Met deze vorst is dat ontluikende lentegroen nog heel ver weg. Laat ik het los, dan hebben dat laagje rijp op het gras en die knisperende bladeren ook wel wat. Ik moet het weer ervaren, denk ik.
Het is nog vroeg als ik de hondjes in hun tuigje hijs om een ochtendwandeling te maken. Als ik de voordeur open doe is het nog donker, de klassieke lantaarnpalen geven nog een mooi diffuus licht dat glinstert over het laagje rijp. De hondjes zijn altijd enthousiast als ze naar buiten mogen. Hooguit een flinke regenbui doet ze aarzelen, maar deze vorst zeker niet. Zeker die kleine rent naar buiten en staat vanaf dat moment echt ‘aan’.
Ik besluit de kou de kou te laten en met een dik vest, sjaal en handschoenen begeef ik me naar buiten. Ik loop nog even voorzichtig, want ik weet niet of het glad is en logischerwijs ga ik liever niet op mijn snufferd. Het is niet glad en ik ga met de hondjes het parkje in. Ik schuifel met mijn voeten als een kind door de gevallen bladeren, met de hondjes enthousiast om me heen lopend. De bijna kale bomen hebben ook dat laagje rijp en het kunstlicht maakt deze kale boom plots heel mooi.
We lopen door, de hondjes hebben al vele plasjes gedaan en hun geur ook weer afgezet voor de andere hondjes die dit pad vandaag nog zullen lopen. Een van de hondjes gaat er voor zitten om de grote boodschap te doen en hoewel lang niet iedereen de grote boodschap van hun hondje opruimt, doe ik dat wel. Het zakje van het rolletje afgescheurd sta ik hopeloos moeilijk te doen met die handschoenen aan. Dan maar even uit en de grote boodschap in het zakje te laten schuiven. Een klein stukje verderop is een afval bak.
Als het zakje in de afvalbak ligt voel ik plots mijn vingertop ijskoud worden. Dan realiseer ik me pas dat het echt enkele graden onder 0 is. Snel de handschoenen aan en doorlopen. Op een onbewaakt moment ziet de kleine hond een kat. Een kat die zich op dat moment nog onbespied waant. Hoewel de hond denkt ‘lekker spelen’ denkt de kat, als ze die kleine eenmaal ziet, ‘wegwezen’. Ze springt op een muurtje, een muurtje waar de hond alleen maar van kan dromen daar op te komen.
We lopen weer door en ik voel de koude wind langs mijn gezicht blazen. Even ril ik, maar dan weer door. We moeten toch een lekker rondje lopen, goed voor hondjes en mezelf. Bijna thuis loopt de grote hond, die niet zo’n goed zicht meer heeft, met haar kopje zowat tegen een grote tak. Takken die door de gemeente later opgehaald worden dan afgesproken. Overal liggen trouwens takken, maar meestal weet ik haar te behoeden voor een tak op haar neus.
Als we voor de deur staan en de sleutel in het slot gaat, zie ik de katten van achter het raam naar de gang lopen. Ze begroeten de hondjes graag en terwijl ik de deur achter me sluit denk ik ‘ondanks het koude weer, toch een lekkere wandeling gemaakt en de natuur op waarde ingeschat’. Ga ik nu minder vaak mopperen op het weer? Ik denk het niet. Ik aanbid nu eenmaal de lente … maar ik word al blij als de kortste dag van het jaar, 21 december, voorbij is. Op naar de lente!